THOMAS’ HUIS

In dit huis is de kelder gezolderd,
brandt er een licht voor mij
in de sluiphal. De voordeur
heeft geen sluitingsdag, maar
doet moeilijk, gilt somtijds
of kreunt van overlast.

Altijd welkom, zingt een kinderstem,-
ik krijg een trap van de trap
die moeizaam ophaalt, niet goed klimt.
Goden wonen daarboven
en een kleine god met engelenzwaard
is koning in het kaartenhuis.

Daarbuiten loopt een schaap,
een geitenharen monster, een ezelspaar
speelt op de doedelzak. Soms valt
een honderdjarige stilte tussen ons,
tafelblad en dakraam, dat nog weerkaatst
wat in zijn vezel ruikt naar hars.