wij zijn een zwak geslacht
van engerlingen onder de grond
wij ontberen een zon
een brandende zee
het doopsel van zon en van water
wij hebben toortsen tekort van hemelcipressen
wij midden het leven
het schuimende
adergelatene
zwevende
wij teren op sluimerend bloed
wij slapen een schildpaddenslaap
achter een iglo van glas
wij missen het vormsel der bergen
olie van extase
olijven der stilte
op een eiland onder de wind