AVOND
ik droomde
dit gezelschap van paarden:
een koninklijk schaakbord onder de bomen
de slapende zon in de vuist van een linde
de maan die over de schouders van een tuinhaag
mijn vingers bespiedt
ik kon je woorden horen
als dikke platanen in de voorstad
late pleinen waaraan de huizen 's avonds eten
een sluipende wolk in een spiegel
met sidderende tuinen in
en onder de kalkstreep der uren
stille honden van onrust