Niets is zo antiek als heide,
als los zand dat niet bouwt
of boert. En wolken zijn zo innig vertrouwd
met dit verstild ter zijde,
dat zij blozen van de weerschijn
in de lucht, het ademen van de vaderen
hoorbaar in de eikenbladeren
en in het sporen van een verre trein.
Niets is zo berustend en onberoerd
als haltgehouden tijd, het kruipend geslacht
der slakken, het voorbije ondeelbaar geacht
en alles wat een oud toneel opvoert.