(naar een gedicht van Jan G. Elburg)
Geen haast, bijna zomer,
geur van seringen die,
zo beweerde mijn moeder,
ruiken naar zeep
en de eerste broekjes aan de waslijn
gehangen, tuin geurend
naar lievevrouwebedstro
en onder de bomen
wegkruipende lelietjes-van-dalen
schurkend tegen hun schutpalmen
en o, dat stoffige licht van de zon.